Met denken alleen geraak je er niet


There, I said it
. En dat van een filosoof!

Ja, ik was vroeger zo’n denken-apologeet. Filosofie gestudeerd en daarna nog eens professioneel filosoof geworden ook. Dan ben je nogal begaan met denken. Laat ons zeggen: een heuse fan ervan.

En dan vroegen mensen mij wel eens: ‘Word je daar niet zot/depressief van, van al dat denken?’

Waarop ik – helemaal aan het denken slaand – stamelend: ‘Euh, wel, nee…’

Gaandeweg ging ik riposteren: ‘Filosofen doen wel wat meer dan denken alleen, hoor. Ze lezen, schrijven, dialogeren, …’ (En daarnaast moeten ze, dik tegen hun goesting, nu en dan koken, de schoorsteen uitkuisen of kaka doen.)

Uiteindelijk hield ik het dapper op: ‘Integendeel! Net door dat denken worden ze niet zot of depressief.’

Wel…

Het hangt er maar van af.

Denken is een prachtig iets, een fantastische biologische adaptatie, die ons mensdom al serieus van pas kwam. Maar je kunt wel degelijk, leerde ik ondertussen – alweer met scha en schande – jezelf ook echt de vernieling indenken.

Velen onder ons – en heus niet alleen filosofen – zijn verschrikkelijk bekwaam in het bijna uitsluitend leven ‘in hun hoofd’.

Herken je dat? Je gedachten tuimelen constant over elkaar, als balletjes bij een lottotrekking. Voortdurend analyseer je je de pleuris: al die kwesties die om je aandacht vragen. ‘Moet je niet dit…’, ‘had je niet beter dat…’, ‘wat als morgen…’ Je verzint tig scenario’s, bekijkt het eens van hier, observeert het van daar. Je draait de zaken om en om en om in je kop tot je er… inderdaad, gek, opgebrand of uitgeblust van wordt.

En zo hadden die irritante vraagstellers – ‘is dat wel gezond, al dat denken?’ – alsnog een punt.

Nee, al dat denken is niet gezond.

Of tenminste, een bepaald soort denken. Het denken dat geen connectie maakt met… iets anders.

De shit is: je hebt lange tijd niet door dat je alleen maar ‘in je hoofd’ leeft.

Alsof je gans je leven hoog in een torenkamer vertoeft, zonder ramen: je hebt gewoon geen flauw idee dat er méér is. Welja, je beseft het ergens, vaag. Je hebt toch een lijf enzo. Maar dat geringschat je. Je lijf bungelt maar wat onder die oh-zo-belangrijke kop van je, vol spinsels.

Tot de torenkamer je gevangenis blijkt.

En dan moet je… afdalen. De deur was er al, maar je had ze niet gezien. Of tenminste: er is een kruipgat. In een duister hoekje. Er staat een boel rommel voor, onder dikke lagen stof en spinrag. Het kost heel wat moeite om er alleen maar bij te komen. En dan moet je nog naar buiten…

En wat zit onder – of voorbij – het denken?

Surprise, surprise: voelen, ah ja. En doen. En verbinden.

En al die dingen zijn godverdomd moeilijk.

Want voelen wil zeggen: al die lastige stuff ervaren die je jarenlang met dat denken en analyseren uitstekend hebt weggeredeneerd en weggeduwd. En doen wil zeggen: riskeren dat het mislukt. En verbinden, zijnde echte connectie maken met anderen, wil zeggen: jezelf kwetsbaar maken voor afwijzing, verlies en rouw.

Een mens zou voor minder in zijn misselijkmakende gedachtemolen blijven bivakkeren… In zekere zin is dat heel veilig.

Alleen, het werkt slechts schijnbaar. Of maar tijdelijk. Je kunt in je hoofd een gans universum scheppen en nog schiet je geen hol op.

Afdalen moet je toch.

Dàn pas, eenmaal je het laddertje naar beneden gevonden hebt… Dàn kun je wel weer eens terug het laddertje opgaan. In feite: zoveel als je wil. Lekker even nadenken. De dingen piekfijn uitvogelen. Yes. Want met denken op zich is niks mis. Zoals gezegd, de ratio – met een filosofenwoord – is een fantastisch instrument.

Maar enkel wanneer het samenspeelt met die andere. Met voelen, doen en verbinden. Niet meer als zwevend hoofd, maar als combo.

Dàn krijg je muziek. Niet steeds even harmonieus of een streling voor het oor. Soms ronduit kakofonisch.

Maar altijd beter dan die ellenlange ergerlijke cerebrale jazzsolo.

foto: Avery Evans | Unsplash

Vorige
Vorige

*POP PHILOSOPHY*: ‘Wall of Death’

Volgende
Volgende

‘Spannend’ heeft altijd twee kanten