*POP PHILOSOPHY*: ‘Wall of Death’
————————————
POP PHILOSOPHY
Popmuziek slechts hersenloos vertier, auditief behang? No way. Ze zit vol met filosofische inzichten en wijsheden waar de gemiddelde wijsgeer een puntje aan kan zuigen en de gemiddelde mens, wij dus, een leven lang zoet mee zijn. In deze reeks nemen we op geheel idiosyncratische wijze en op zoek naar levenslessen een song onder de loep uit de lange en brede geschiedenis van de popmuziek, a.k.a. de mooiste uitvinding aller tijden.
———————————
In 1982 waren Richard en Linda Thompson nog net niet uit elkaar en maakten ze hun laatste plaat samen: Shoot Out the Lights. Het slotakkoord daarvan is Wall of Death, een schijnbaar lugubere dan wel schijnbaar lichtvoetige track – afhankelijk van hoe je ernaar kijkt – over een schijnbaar triviaal onderwerp, zijnde: een kermisattractie.
Toegegeven, ik ken het nummer in eerste instantie van de prachtcover van R.E.M op de 25th Anniversary Edition van New Adventures in Hi-Fi. Eerder verscheen die al op een Richard Thompson-tributealbum uit 1994 en vervolgens als B-kantje van E-Bow the Letter in 1996. Recht in hun glorieperiode, dus – al vind ik als fan in feite elke R.E.M.-periode glorieus op haar manier.
Die pedalsteel. De als altijd pakkende harmonieën van Michael Stipe en Mike Mills. De onvermoeibare klokvaste maar organische drive van Bill Berry – een van de beste drummers aller tijden; there, I said it. De intro! ‘Nah nah nah nah nah nah nah nah nah nah nah nah…’
En dan, de tekst: Thompson’s onbesuisde lofzang op de ‘Wall of Death’.
‘Wall of Death’, dat klinkt op het eerste gehoor nogal grimmig. Morbide. ‘Let me ride on the wall of death one more time.’ Is die Thompson het leven moe, of wat? Als je niet aandachtig luistert, zou je zoiets kunnen vermoeden. Maar nee: integendeel. Het nummer is juist een triomfantelijke ode aan volop leven.
De Wall of Death blijkt een kermisattractie te zijn: een grote silovormige kom waarin men met motorfietsen rondrijdt op de verticale wand. Spectaculair en pokkestoer. Die Thompson heeft iets met motorfietsen want een klein decennium later maakte hij de classic 1952 Vincent Black Lightning, over een gelijknamig motorrijwiel en zijn berijders. In Wall of Death gaat het over hoe de genoemde attractie zich verhoudt tot de rest van de kermis.
De Wall of Death is de coolste van alle attracties, declareert Thompson. Eigenlijk de enige die écht de moeite is. Over de andere laat hij zich doorheen de verzen smalend uit. Ja, je kunt je in zo’n molentje begeven. Het spookhuis in of de achtbaan op. ‘You can go with the crazy people in the Crooked House,’ of ‘fly away on the Rocket or spin in the Mouse’ – ritjes en walkthroughs allerhande. Maar dan verspil je je tijd. Wat een suffe boel. De real deal, dat is de Wall of Death.
Je kunt de tekst ‘droog’ letterlijk lezen en concluderen: oké, dat weten we nu, de Richard vindt blijkbaar niks aan de ganse kermis, behalve die ene attractie; die mag er zijn. Net daarin schuilt de kracht van Thompsons poëzie: je twijfelt – zingt die gast nu gewoon een song over kermisattracties? Tot de metaforische lading door de beelden heen begint te schemeren.
Sommigen hebben gesuggereerd dat Thompson het over zijn uit elkaar brokkelend huwelijk met Linda had: een soort van eerbetoon aan hun aflopende relatie. Hoe hij die toch de moeite waard vond ondanks alle tumult en gedoe. De ruzies, spanningen en ellende ten spijt: geef me dan eerder dàt, lijkt hij te zeggen, – de ‘Wall of Death’ – dan een mak ritje op de rupsbaan. ‘The tunnel of love might amuse you,’ zingt hij honend. If you’re into that shit: wat vrijblijvend gefoefel in het duister en vervolgens ben je ervan af. Nee, dan veeleer de Wall of Death van écht engagement, met alle gevaren van dien.
Dat is mooi, maar persoonlijk kan ik me nog meer vinden in de interpretatie dat het nummer in feite over het leven zelf gaat. De Wall of Death: dat is écht iets riskeren. De andere attracties zijn wel amusant, maar ook behoorlijk slap en vrijblijvend. Je kunt er lekker je tijd op verdoen: ‘You can waste your time on the other rides.’ Maar Thompson waagt liever zijn kans op de steile wand: ‘Let me take my chances on the Wall of Death.’ Hier staat iets op het spel. En dat is opwinded. Vitaliserend. ‘This is the nearest to being alive.’
In de bridge gaat hij op dat elan verder: ‘On the Wall of Death / All the world is far from me / On the Wall of Death / It’s the nearest to being free.’ ‘All the world’: dat zijn, zou je kunnen zeggen, alle verwachtingen van de wereld, die je al dan niet geïnternaliseerd hebt. Die laat je los op de Wall of Death. Dichter bij vrijheid kom je niet.
Inderdaad demonstreert daarop het tweede vers: ‘you’re going nowhere when you ride on the carousel.’ De carousel, de draaimolen, is dat geen schitterende metafoor voor de maatschappelijke ratrace, de prestatie-tredmolen waarin we met zijn allen lopen en vaak – uiteindelijk – vastlopen? Geen wonder, want: ‘you’re going nowhere.’
‘And maybe you’re strong, but what’s the use of ringing a bell?’ Weet je wel, die kermisapparaten waar je met een hamer op slaat om een gewicht zo hoog mogelijk te laten schieten? Helemaal bovenaan hangt er een bel en als het gewicht tot daar geraakt, rinkelt die, en daarmee toon je natuurlijk dat je heel sterk bent. Maar, aldus Thompson: waar is dat in godsnaam goed voor? Ja, oké, je kunt wat verzetten. Ja, je bewijst iets. Maar so what?
Al dat gezapige vertier, al dat spiergerol, dat eindeloze gedraaf, die mechanische herhaling, dat zinloos rondjes rijden op voorgeconstrueerde, voorgeprogrammeerde parcours, al dat bloedeloos, risicoloos poseren van ‘kijk, ik ben toch maar mooi bezig’… Thompson laat het aan zich voorbijgaan. Liever iets dat het hart doet kloppen. Liever een sprong in het duister, met de reële mogelijkheid van een faliekante afloop. Liever riskeren te vallen, dan nooit echt zelf gezweefd te hebben – want op die motorfiets zit jij aan het stuur.
Liever de Wall of Death.
Dàt gevoel. Wanneer je iets in de weegschaal legt en bij jezelf denkt: ‘what the fuck ben ik aan het doen?’, maar wéét dat je het moet doen, omdat je het wil – en de broeierige hunch: dít is leven. Je laat de begane grond los en kunt alleen maar scheuren puur op vertrouwen. Maar het is wel jij op de brommer.
Het leven is een kermis en je kunt ervoor kiezen om niet altijd met een wijde boog rond de halsbrekende attracties te lopen. Al zou ik nog toevoegen: niks mis met af en toe bezadigd meedraaien op de molen. En misschien, na dit ritje, wie weet, – hebben we nog jetons? – nóg een keer. En nog eens. Soms moet je wat moed verzamelen.
Maar het gaat over jezelf uitdagen om niet de ganse tijd de makkelijke ritjes te nemen.
En vervolgens dapper zingen.
‘Nah nah nah nah nah nah nah nah nah nah nah nah…’
foto: Shivam Baraik | Unsplash